Er zijn onderwerpen waar je in Frankrijk beter niet over begint.
Voetbal. Politiek. En de mogelijkheid dat de Franse keuken misschien helemaal niet zo Frans is als men graag denkt.
Toch wijst de geschiedenis een beetje in die richting. In 1515 trekt François Premier naar Noord-Italië. Officieel om oorlog te voeren. Maar zoals dat vaker gaat met succesvolle veldtochten, blijkt de buit uiteindelijk iets anders dan gepland.
Hij verovert Milaan, kijkt om zich heen en ziet een beschaving die op dat moment simpelweg verder is dan de Franse. De Italianen schilderen beter, bouwen mooier, organiseren indrukwekkendere feesten en begrijpen iets van luxe waar de rest van Europa nog maar net aan begint. François doet vervolgens iets wat moderne techbedrijven onmiddellijk zouden herkennen.
Hij acqui-hiret Italië.
Niet letterlijk het hele land natuurlijk, maar wel een indrukwekkende verzameling kunstenaars, architecten, ingenieurs, ambachtslieden en hofspecialisten. Leonardo da Vinci verhuist naar Frankrijk. Italiaanse meesters stromen het Franse hof binnen. En tussen al die grote namen verschijnen ook mensen die minder vaak in de geschiedenisboeken terechtkomen: suikerbakkers, confiseurs en andere specialisten van het zoete leven.
Dat laatste fascineert mij.
Want suiker was in de zestiende eeuw geen onschuldige toevoeging aan de koffie. Suiker was status. Macht. Luxe. Een grondstof die zo kostbaar was dat men er complete kunstwerken van maakte tijdens banketten.
En die suikerkunstenaars staan soms gewoon met naam en toenaam in de hofadministraties vermeld. Stel je voor dat over vijfhonderd jaar historici de personeelslijsten van een Michelinrestaurant bestuderen en concluderen dat de beschaving van de Lage Landen grotendeels werd gedragen door de patissier.
Misschien hebben ze dan nog gelijk ook.
Natuurlijk zullen Fransen onmiddellijk tegenwerpen dat de Franse keuken daarna iets volstrekt eigens werd. Dat klopt. De Fransen hebben de Italiaanse invloeden niet simpelweg gekopieerd. Ze hebben ze verfijnd, geordend, gecodificeerd en uiteindelijk tot nationale trots verheven.
Maar dat maakt het verhaal juist leuker. De Franse keuken is een beetje als een startup die begint met Italiaanse investeerders, Italiaanse technologie en Italiaans talent, om vervolgens uit te groeien tot een wereldmerk dat doet alsof het alles zelf heeft bedacht. En eerlijk gezegd is dat misschien wel de meest Franse prestatie van allemaal.
De echte les van François Premier is trouwens een andere. Hij trok Italië binnen als veldheer. Maar zijn grootste overwinning bleek niet de slag bij Marignano. Het was het inzicht dat kunstenaars, architecten en zelfs suikerbakkers soms waardevoller zijn dan soldaten. Dat is een gedachte die ook sommige moderne regeringen nog wel eens zouden mogen importeren.
Foto header via iStock, credits: Sheviakova kateryna

